KINSHASA – “Enkele weken geleden is in onze buurt een kind van 14 maanden gestorven. Het wicht leed aan malaria en de ouders konden de anderhalve euro voor de medicamenten niet betalen. Ze zijn ook niet snel genoeg bij ons geraakt, anders hadden we hen kunnen helpen.” Zoals altijd is père Pol stipt op de afspraak in de lobby van het Memlinghotel in Kinshasa. Mijn bezoek aan Congo en Burundi laat niet toe dat ik zelf naar Cité des Jeunes en Maison Papy ga, dus komt Pol naar het centrum van Kin-la-Poubelle, Kinshasa de vuile, bruisende hoofdstad van Congo.
Meer dan een sucré, een Fanta, wil Pol niet drinken. Hij heeft straks nog een vergadering elders in de stad. Maison Papy blijft in voortdurende geldnood verkeren, vertelt Pol me, en de noden blijven hoog, veel te hoog. “De straatkinderen worden straatmannen”, zegt hij, “en dat levert de nodige problemen van criminaliteit op. Bovendien komen er iedere dag nog kinderen op straat bij. Je weet hoe dat gaat: economisch gezien blijft het hier slecht gaan en de kinderen worden buitengegooid.”
Père Pol signaleert ook nieuwe problemen, zoals kinderen die door gewiekste mensenhandelaren opgepakt worden en als (seks-)slaven verkocht worden. “Onlangs hebben we zo zes kinderen uit de Kasaï opgevangen. Drie meisjes, drie jongens, broers en zussen. De jongste was geen 3,5 jaar oud. Ze waren in Zambia onderschept en zouden in Zuid-Afrika als slaafjes verkocht worden. We runnen ook twee huizen voor de OIM, de Internationale Organisatie voor Migratie, die deze kinderen bij ons brengt. Wie wil, kan in Maison Papy terecht, hoewel we ze niet onmiddellijk bij de papillons onderbrengen.”
Zoals bekend worden veel kinderen van hekserij beticht – een handig trucje om ze zonder gewetensbezwaren op straat te zetten. “Les Eglises du Réveil, de nieuwe evangelische kerken, die als paddenstoelen uit de grond blijven schieten, pikken hierop in. Ze behandelen de kinderen voor veel geld tegen die toverij”, zegt Pol. “Ik heb nog nooit iemand tegen toverij behandeld. De Congolezen denken dat ik een goede fetisj heb, een bezweringsmiddel tegen tovenaars. Waarom zou ik anders ‘s avonds alleen in de hof rondlopen”, monkelt Pol. “Ook het feit dat ik geld blijf vinden, is voor hen het beste bewijs van de kracht van mijn fetisj.”
Pol neemt niet langer de dagelijkse leiding van Maison Papy op zich: “Ik houd me wel nog met de financiën bezig maar iedere dag intens met de jongeren bezig zijn, wordt te veel voor mij. Dat gaat niet meer.”
Enkele streepjes licht tussen deze donkere schets van Congo en Kinshasa: volgende week zaterdag, op 18 juni, arriveert Koko Pol in België. Op 7 september keert hij weer. Pol zal dan precies vijftig jaar in Congo zijn. Op 7 september 1961 kwam hij aan in het toen onafhankelijke Katanga.
Tweede streepje: Pol is ook actief in de bescherming van het leefmilieu. Hij werkt voor een Duits-Nederlands project voor de herbebossing van de Plateau in het territoire Mampu, op enkele uren rijden van Kinshasa. Het totale project slaat op 8.000 ha en is niet zo gek ver gelegen van het project waar de onfortuinlijke prins Laurent midden maart enkele bomen plantte.
“Wij beheren er een boerderij van 25 ha”, zegt Pol die mijn vragen over Laurent met stille glimlach beantwoordt. “We willen daar ook een dispensarium uitbouwen. Op het terrein leren we de mensen acacia’s planten. Deze boomsoort groeit snel en verbetert de bodem. Goed voor de landbouw en goed voor de brandstof. De bomen kunnen al na enkele jaren gekapt worden en verwerkt tot makala, tot houtskool om te koken. Zo slaan we meer vliegen in één klap: de bodem wordt vruchtbaarder, geiten kunnen de bladeren eten en de mensen moeten niet langer kostbare bomen rooien voor houtskool.” Of hoe prins Laurent toch een beetje gelijk krijgt…
Roger Huisman, 6 juni 2011